maandag 7 december 2015

Voor de verre prinses 3: Gerrit Achterberg -- Code

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* kb
* wikipedia
* dbnl
* genootschap
* wat gedichten







• Vandaag de derde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Code

De levenskracht die gij eenmaal bezat
verdeelt zich nu over het abc.
Ik combineer er sleutelwoorden mee
en open naar uw dood het zware slot.

Het is, in ’t vers, de figuratie: God,
te vinden in de letters g, o, d,
in deze volgorde, maar niet per se,
ook ander formaties kunnen dat.

Iedere serie, elke schakeling,
uit welke taal genomen, is geschikt,
zolang ze in de juiste spanning staat.

De dichter, onder ’t schrijven, weegt en wikt,
op dood en leven een schermutseling,
totdat de deur eindelijk open gaat.


Gerrit Achterberg (1905-1962)
uit: Alle gedichten (2005)



Lieve Ms. Roaring Twenties,

Daar zaten we dan, ergens in de herfst van 1983. Harry Bekkering, iemand die ze veel later nog professor hebben gemaakt, gaf een college ‘Inleiding in de Hedendaagse Literatuur’, of zoiets. De ruim honderd (100!) eerstejaars Nederlandse Taal- en Letterkunde keken naar het gedicht dat achter hem was geprojecteerd en dachten, ja, wat dachten we?
      Minimaal tien van die achttien- en negentienjarigen dachten in elk geval dat ze schrijver zouden worden, later. En die kenden Achterberg dus wel. In elk geval van naam. Alleen één jongen (die later inderdaad dichter werd) liet merken dat hij het gedicht al kende, dat wil zeggen: hij was de enige die dat durfde te laten merken. Ik kende het gedicht ook, maar kreeg bij het idee dat ik in het openbaar iets moest zeggen bijna een psychose van angst. Ik zweeg, terwijl die jongen die wel durfde zich samen met Bekkering door het gedicht ploegde.
      Ik geloofde in die tijd niet in gedichten die over gedichten gaan. En ik weet nog waar mijn aversie vandaan kwam. Van mijn eerste literaire held Gerrit Komrij, via wie ik de Nederlandstalige poëzie had leren kennen. De eerste editie van zijn grote bloemlezing was mijn eerste gids. Wat hij schreef, was waar. Dat hij nergens schreef dat poëticale gedichten onzin waren, deed er niet toe, mijn aversie was verbonden met de stukken die hij over literatuur schreef, en die ik even gretig las als een ouderling Leviticus of Numeri.
      Met die achtergrond luisterde ik naar Bekkering en de toekomstige dichter. Ik dacht: het zal allemaal wel, met die Achterberg en zijn code. Allemaal tovenarij, bedoeld om de Grote Tragedie van zijn leven te verbloemen. De code die de verhalen over en rond zijn leven op het slot moet houden. Maar wel net doen of hij alles lekker open wil gooien; een onoprechte dichter, die Achterberg.
Bovendien was hij een protestante dichter, en ik herinnerde me nog de grote schok die ik rond mijn tiende onderging, toen ik erachter kwam dat je naast katholieken nog mensen had die een ander geloof aanhingen. Dat kon ik me niet voorstellen, in het door en door katholieke Limburg van de jaren zeventig. Die schok had ook iets te maken met mijn aversie tegen poëticale gedichten. Het woord was wat het woord was, en niet iets anders.
Tot slot had ik het idee dat poëzie alleen maar kan zingen, en niet getuigen. Nergens van. Misschien had ik daar wel gelijk in, maar al tijdens het college begon ‘Code’ aan me te trekken.
Het gedicht was sterker dan mijn meningen over het gedicht, of beter, dan mijn vooroordelen. Ik merkt dat ik de eerste regel zo las: ‘De levenskrácht die gij éénmaal bezát’, en dat dit beter ‘liep’ dan ‘De lévenskrácht die gíj eenmáál bezát’, waar ik met een ingebakken zucht tot jamben toe geneigd was.
      En die God, waar Achterberg het over heeft? Dat is natuurlijk een heel vreemde God, iemand die je met alle letters van zijn naam op alle mogelijke manieren kunt schrijven. Wat is dat voor een God? Geen katholieke, en geen protestante. Eerder een God die ergens in de kelders van Achterbergs geest woonde.
      Toen ik het gedicht na het college las, en herlas, begreep ik steeds minder van het octaaf, hoewel het zo helder is als glas. Er staat precies wat er staat, en toch kan ik alleen maar uitleggen wat er staat door te herhalen wat er staat. De dichter Achterberg had mij, via Harry Bekkering, voor zich gewonnen.
      Hoewel, niet helemáál gewonnen. Ik ben altijd een incidenteel lezer van Gerrit Achterberg gebleven. Hij hoort niet tot mijn favorieten, maar hij hoort er wel helemaal bij.
      Achterberg zet de woorden maximaal onder spanning. Natuurlijk wil elke goede dichter dat doen, of zou elke goede dichter dat moeten doen; het is alleen weinig dichters zo goed gelukt als Achterberg. Zijn (beste) gedichten staan onder hoogspanning, en kunnen elke (her)lezing moeiteloos doorstaan.
      De morbide cocktail van onderdrukte seksualiteit, dood en wanhoop is, juist daardoor, goed te verdragen. Zijn talent als dichter repareert de psychische toestand waarin hij een groot deel van zijn leven verkeerde.
      Toch kan ik er heel vaak niet tegen. Tegen elke keer die mokerslag op datzelfde aambeeld. Tegen die symbolen die tot cymbalen worden, in de ure des doods. Tegen de voortdurende inkijk op ‘de onderkant van kast en ledikant’. Niet omdat ik hem veroordeel. Achterberg en ik zijn niet van dezelfde stronk, dat is het. Ik ben van kruin tot teen een katholieke jongen, en dat was Achterberg niet.
      Het gekke is dus, dat je van poëzie kunt houden waar je niet echt van houdt. Wat in de omgang met mensen niet kan, krijgt de dichter voor elkaar als hij de juiste spanning op de woorden kan zetten. De deur die toegang geeft tot zijn werk gaat open.
      Wat ik pas later zag, is de mooie omschrijving die Achterberg geeft van de manier waarop poëzie werkt. In het eerste terzine vat hij zo goed samen wat poëzie is, dat het de kracht krijgt van een definitie. Het woord ‘geschikt’ speelt hier de belangrijkste rol. Dichten is het schikken van woorden, totdat de juiste spanning erop staat – waarna die woorden geschikt zijn om in het gedicht een rol te spelen.
      En de dichter? Die speelt kan niet anders dan zichzelf op het spel zetten, op leven en dood, iets wat Gerrit Achterberg, wat je verder ook van zijn werk kunt vinden, heeft gedaan. Hij is groot in het aan de lopende band vechten tegen zijn eigen mislukking, gedicht na gedicht. Woord na woord.

Ik denk nog wel eens aan de geborgenheid van die collegezaal. Ik moest er ook aan denken toen wij, liefste, in De Postillon waren, een Utrechts café dat iets van een baarmoeder heeft. De cafékat lag in zijn hokje boven de trap, we dronken bier en buiten regende het zo hard dat we nog niet naar buiten hoefden.
      Je zat tegen me aan en we hadden het over alles waar we het voortdurend over hebben.
      Later liepen we door de stad naar huis. Het was, want zo hoort dat, droog. De keien waren diepzwart en resoneerden het ritme van je mooie roaring twenties schoenen. We passeerden de Maartenskerk, het Gymnasium, liepen over het Ledig Erf richting de Westerkade.
      Ik wist niet of ik de code had, waarmee ik je helemaal kon begrijpen, maar dat was helemaal nergens voor nodig. Je was bij me en we waren in een gesprek verwikkeld dat voor geen enkele hindernis, of wat dan ook, stopte.
      De voordeur stond al open. Ik dacht dat er was ingebroken. Dat bleek niet het geval. Ik had hem gewoon open laten staan toen ik naar onze afspraak ging. Ik was tevreden over de mensen in mijn buurt, die de beleefdheid hadden gehad om mijn huis te passeren.
      Terwijl je de trap op liep, draaide ik de sleutel twee keer om en deed de knip op de deur. Daarna gaf ik je je eigen sleutel van mijn huis, zodat je er in de ochtend niet om hoefde te vragen.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen