vrijdag 18 december 2015

Voor de verre prinses 14: Jan G. Elburg -- Willen

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* interview








• Vandaag de veertiende en laatste aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Willen

Ik neem mijn buik op en wandel,
ik heb mijn ogen open,
ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,
ik zou die pijnboomhouten paal in mij
vertikaal willen treffen met licht:
een lang lemmet licht om de dagen te turven.
Ik zou een rood totem willen snijden
waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,
een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.
Ik heb te nemen.

Ik zou een mens willen maken uit wrok
en afgeslagen splinters: een winterman
met een gezicht van louter ellebogen.
En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan
en had hij één minuut te leven,
rood zou hij zijn en rood van kindertranen
en rood.

Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,
ik zie het water aan,
ik neem mijn hongerige maag en wandel,
ik zie een eetsalon voor twintig standen:
wanden zijn er genoeg; hij vloekt
van een doorvoeld gemis aan ramen.

Luister toch wat ik zeggen wou:
in Florida schildert men negers zwart,
in Florida schilt men negers
en Spanje stinkt van het bloed.
Ik wou van mijn lijf een Korea maken,
ik wou mijzelf zijn beneden mijn middenrif,
ik wou een vlag zien kiemen uit een zaadje.
Ik zal het kiemen zien.

Jan G. Elburg (1919-1992)
uit: Ik zie scherper door de taal (2011)


Lieve Prinses,

Zo meteen stappen we uit deze brieven, de werkelijkheid in. In het Evangelie van Johannes zegt Jezus tegen een zieke: ‘Sta op, neem uw bed-deken op, en wandel.’ Het hielp, want ’terstond werd de mens gezond, en nam zijn bed-deken op en wandelde.’ Maar ja, dat was in de Bijbel. Wij zitten in de werkelijkheid, althans, we zitten nu nog in de werkelijkheid van deze tekst, en straks lopen we weer in het open veld, zoals bij Jeannette Winterson. Het is allemaal ingewikkelder dan ik dacht, voordat ik er aan begon.
    Vroeger maakte ik mijn bed heel strak op, elke ochtend, alsof ik in dienst zat en controle kon krijgen van een sadistische sergeant. Tot ik op een dag ergens las dat het niet goed is om dat te doen. Dat geeft de stofmijten te veel een kans om tot ontplooiing te komen, wat voor iemand met mijn licht-onvlambare huid geen goed idee is. Nu maak ik mijn bed anders op, en als er ooit iemand komt die zegt dat ik mijn bed-deken moet oppakken, is dat zo gebeurd.

De Vijftigers is de laatste dichtersgroep die voor een waterscheiding in de Nederlandstalige poëzie heeft gezorgd. De Tachtigers deden het eerder ook, de Maximalen waren achtendertig jaar later te laat. Het werkte niet meer. Het manifest was reclamefolder geworden.
    Toen Simon Vinkenoog zijn bloemlezing uit de nieuwe poëzie publiceerde, Atonaal, was het 1951, de Tweede Wereldoorlog was nog maar zes jaar geleden, de dichters wilden schoon schip maken, maar vooral wilden ze aansluiten op de poëzie die in Nederland voor de oorlog was verwaarloosd, die van het surrealisme, DaDa, het expressionisme en de Europese avant-garde. De dichters hadden niet alleen letterlijk honger, ze hadden honger naar het woord.
Alleen daarom al was die beweging interessant. Natuurlijk ging een en ander gepaard met wat zinloos poëtisch geweld, dichters die voor de oorlog nog een zekere positie bekleedden, werden met verbaal geweld verjaagd. Men schrok ervan. Simon Vestdijk gaf het dichten helemaal op en schreef een boek over Nederlandse poëzie met de titel Voor en na de explosie.
    Wat De Vijftigers in Nederland niet zozeer introduceerden, maar wel voor het eerst bijna volledig in de praktijk brachten, is het lichamelijke schrijven. Gerrit Kouwenaar droeg, in zijn vermomming van Napoleon, een bloedjas. Lucebert schreef de Johannes die ik hierboven citeerde al na: ‘Het vlees is woord geworden’. De Lucebert die, als een achterkleinzoon van Friedrich Hölderlin, soms woorden tekort kwam om te zeggen wat hij zeggen moest:
haar lichaam heeft haar typograaf

spreek van wat niet spreken doet
van vlees je volmaakt gesloten geest
maar mijn ontwaakte vinger leest
het vers van je tepels venushaar je leest

leven is letterzetter zonder letterkast
zijn cursief is te genieten lust
en schoon is alles schuin
de liefde vernietigt de rechte druk
liefde ontheft van iedere druk

de poëzie die lippen heeft van bloed
van mijn mond jouw mond leeft
zij spreken van wat niet spreken doet
Toen ik je voor het eerst aanraakte, merkte ik dat je overal mooie bochtjes hebt. Je lichaam is rank en vrouwelijk. Ik was op bekend terrein en viel toch van de ene verbazing in de andere. Je was een gedrukte tekst die zo mooi was vormgegeven dat het lezen ook seks zijn.
    Wat ik tegelijkertijd besefte, was dat je geest inderdaad van vlees is. Je bent een lichaam. Wij zijn twee lichamen, lichamen die bij elkaar zijn gekomen en elkaar in een boekhandel hebben ontmoet, tijdens een lezing van twee schrijvers. Twee lichamen die die avond ineens cursief naast elkaar stonden. Dat is prozaïsch en poëtisch tegelijk.

Wat nu? Hoe kan ik uit deze woorden stappen? Elburgs gedicht ‘Willen’ is, naast veel andere dingen, in elk geval een wonder van waardigheid. Hier is iemand aan het woord die met een paar mokerslagen weergeeft wat hij wil en die toch nergens, ondanks zijn agressie en zijn geladenheid, het heft uit handen geeft.
    Hier is iemand aan het woord die erotiek, en pure lust, zonder omwegen inzet en sacraal maakt. Seks is niet vies, zoals mij in mijn jeugd nog werd geleerd, althans, dat probeerde men mij te leren toen ik met een buurmeisje was betrapt, we speelden doktertje; ik was vier en onschuldiger zou het nooit meer worden.
    Seks is zo heilig als die totempaal, ‘waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert’.
    Soms is een lichaam heilig. Maar daarvoor moet je het heel dicht kunnen naderen. Niet altijd is dat mogelijk, niet altijd lukt dat. Het heilige is net zo onbenaderbaar als de tovenaar in The Wizard of Oz en net zo heilig en ‘gewoon’ in één, en sacraal betekent zowel heilig als vervloekt.
    In de tweede strofe beschrijft Elburg een man die het niet is gelukt, een kindermoordende oude God, humorloos, wrokkig, uit op wraak. De God van het Oude Testament. Een alleen opererende God.

In de derde strofe herneemt hij zich, al bekreunt hij zich om het gebrek aan ramen, om het gebrek aan de gelegenheid om, letterlijk, naar buiten te kunnen kijken. Maar hij herneemt zich, hij neemt zijn lege (na-oorlogse) maag op en hij wandelt. Als een man.
    Een man die met een soort oerkreet eindigt. Een oerkreet die niet voor niets de toekomstige bevruchting (van het gedicht, van de vrouw?) aankondigt. Hier is het woord vlees geworden en heeft het vlees zich herpakt, waarna het woord opnieuw ontstaat, uit het vlees. Net als de ‘Heerscher’ van H. Marsman kan hij zeggen: Hij schreed / en ruimte was hem soepel kleed / aan ’t koele lijf.’

We moeten nog van alles in het leven. Woorden morsen. Daden stellen. Besluiten nemen die het universum even scheef zetten. Opleven en ten onder gaan. Willen. De wil om wat dan ook te doen met hoofd en hart ten uitvoer brengen. Toezien dat het mislukt en lukt. Jij pakt daartoe jouw buik met mooie rondingen op en ik, ik neem een iets grotere koffer voor de mijne. Kijk, daar lopen we. Twee mensen in het begin van de eenentwintigste eeuw. Kleine mensen in een wereld die zo groot is dat we geen idee hebben hoe groot. Zelfbewust. Vervuld.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen