dinsdag 15 december 2015

Voor de verre prinses 11: Marleen de Crée -- Roses and roses

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* schrijversgewijs
* mini-interview
* npe
* leestafel
* videogedicht







• Vandaag de elfde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Roses and Roses

rosa blanda, rosa gallica en angelita.
rosa alba, rosa tomentosa, yesterday.
lady of the dawn, mademoiselle de dinant.
bel ange, alex red, rosa involuta.

uit elke rozenbrand, souvenir de malmaison,
rosa filipes, tapis volant, veilchenblau.
mermaid, moonlight, perdita, mrs. flight,
pleine de grace, rose chou, oeillet flamand.

rosa centifolia, rosa damascena,
old pinc moss, reine d’anjou, belle isis,
rose duchesse d’angoulême, pimpinelli, charm of may.

pink grootendorst, rush, honorine de brabant,
königin von dänemark, scharlachglut,
cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.

Marleen de Crée (1941)
uit: Tussen boog en snaar (2012)


Allermooist Herfstblad,

De gedichten van De Crée zijn vaak gebouwd als opsommingen, net als die van Folgore da San Gimignano via P.A. de Génestet, Gerrit Komrij en Menno Wigman, met Arjen Duinker als echte meester-opsommer. Een eerbiedwaardige methode, die de dichter veel speelruimte geeft, maar ook een valkuil is voor de lieverds die het métier niet al te goed beheersen. Een opsomming kán vervelend worden, en vrij snel ook.
      Rozenrassen. Die staan hier bij elkaar gebracht. Maar pas op: de cyclus waarmee dit gedicht opent, heet ‘Rozen en Rozen’. Een opsomming, zeker, én een manier om te zeggen: ‘Je hebt rozen en rozen.’ De ene roos is de andere niet. Of wel? De spreekwoordelijke regel van Gertrude Stein zegt van wél. De Crée voegt daar haar eigen definitie van ‘roses and roses’ aan toe.
      De a-klanken in de eerste strofe geven het geheel iets vols, iets waar Lucebert over schrijft in gedicht ‘XV’ uit de amsterdamse school: ‘van oe en a staat je ruimte / door mijn hijgen verzadigd’. Woorden als ‘blanda’, ‘gallica’, ‘angelita’, ‘alba’ en ‘tomentosa’ botsen en schuren prettig met ‘dinant’ en ‘bel ange’ en vooral met ‘involuta’, de rozen verdringen elkaar in deze strofe, zetten zich in bloei en via hun bladeren schrap, in volle verzadiging.
      Tegen het einde van de tweede strofe komt het noodlot al om de hoek kijken: na de ‘rozenbrand’ en de ‘malmaison’ uit regel 1 en het ‘veilchenblau’ uit regel 2 komt onvermijdelijk ‘perdita’ (regel 3) en uiteindelijk ‘oeillet flamand’. De roos is teruggekeerd op de harde, Vlaamse grond.
      In het sextet hebben de wat wuftere rozen de overhand (‘charm of may’, ‘honorine de brabant’), maar vooral de slotregel spreekt harde rozenwoorden over verlies en ellende: ‘cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.’ Hier wordt gesproken over liefde en verlies, maar ook over die ellendige ‘frühlingsgold’ die er met iemand, of iets, vandoor gaat. Een roos is een roos, maar inderdaad: je hebt rozen én rozen. En rozen.
      Een thema van alle tijden, maar in de opsommende vorm en vermomd als een gedicht over rozen levert het een meer dan verrassend resultaat op. De Crée ‘vermomt’ een al dan niet persoonlijk (of door persoonlijke verhalen opgeroepen) verhaal. Ze doet dat met zo veel in de loop van jaren verworven vakmanschap, want ze debuteerde al in 1969, dat de lezer er alleen maar met bewondering naar kan kijken.
      Want ook dat is het wezen van goede poëzie: die geeft de lezer genoeg te doen, die maakt het lezen niet tot een enkelvoudige aangelegenheid maar biedt lezing na lezing nieuw werk. Leesarbeid, het woord zegt het al, dáár moeten goede gedichten het van hebben. Het is het labora uit ora et labora, het lezen en schrijven van de monnik die de regel ‘Hebban’ uit mijn eerste brief in zijn manuscript wist te smokkelen.
      De dichter moet zich verbergen, om de lezer de gelegenheid te bieden terug te keren naar het gedicht. Dat doet hij, in de beste gevallen, door zich (deels) uit het gedicht terug te trekken, door de taal om te werken, door zelf ook arbeid te verrichten, in een voortdurend terugdeinzen voor clichés en gemakkelijke effecten. Het is als in het gedicht ‘De zwijgzaamheid’ van Gerrit Komrij, die schrijft: ‘Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.’

De geschiedenis van de poëzie is een opsomming van namen. Marleen de Crée kende ik niet, voor 2004, maar omdat ik iets over haar bundel Vita Vita schreef, gingen we corresponderen, en in 2012 stelde ik een bloemlezing uit haar werk samen voor uitgeverij P in Leuven: Tussen boog en snaar. De Crée bleek goed bevriend te zijn geweest met Maurice Gilliams en met J.L. de Belder, twee bijna mythologische namen uit de Vlaamse poëzie.
      Gilliams heeft Gaston Burssens gekend en was al vroeg overtuigd van het talent van de jonge Paul van Ostaijen, een leeftijdgenoot die hij bewonderde en die hij zijn meerdere achtte. Van Ostaijen was een groot liefhebber van het werk van Guido Gezelle, en zo zitten we voordat we het weten in het midden van de negentiende eeuw, van waaruit weer andere lijnen lopen, almaar terug, tot alle rederijkerskamers in Antwerpen en Gent en de middeleeuwse dichters van de hoofse liefde. Kijk, daar is de anonieme kopiist of kopiiste weer.
      En uiteindelijk, ooit, zijn alle dichters allemaal die anonieme figuren, vergeten, door de tijd verzwolgen, met een plekje op het digitale kerkhof dat DBNL is. Een straatnaambordje, als ze geluk hebben, of een deeltje in de KB waarin hun leven is samengebracht, voor de eeuwigheid die dan inmiddels voorgoed en inderdaad tot in de eeuwigheid is aangebroken.
      Ik vind dat een troostrijke gedachte. Stel je voor dat je nu al rekening moet houden met de receptie van je werk over een jaar of vijfhonderd. Dat zou pas echt onverdraaglijk zijn. Nu mag je, net als alle mensen, een jaar of wat je best doen, misschien bereik je wat lezers, en dan komt aan het eind de zeis, en verdwijn je grotendeels (op een paar regels na, of een voetnoot in de literatuurgeschiedenis) in dezelfde put als iedereen.
      Als dichter moet je springen. Er zit niets anders op. Je springt de poëziegeschiedenis in, en daarna hoop je er maar het beste van. De Crée zegt dat in een van de gedichten die mij meteen aanspraken, in het eerste gedicht uit de cyclus ‘Water’. Volgens mij is het een goede illustratie bij wat ik wil zeggen. Toevallig komt het water ook weer voorbij:

I

springen. in het water springen en dan
zwemmen. vettig water drinken, geen haar
scheelt het, verdrinken, een vader
aan de kant, alsof hij en ik.

daarna de weelde, zacht bewegen. van
kop tot teen gedragen worden, gewogen
en gewikt, gewikkeld en gewenteld,
onhandig en verlegen. licht op licht.

zon ontsnapt uit lissen aan de rand,
schittert fleurig in de ogen.
legt zich gewillig in mijn natte plooien.

niets dan vreugde in de stroming, op
en neer. water en ik. tot laat, tot ver,
tot eindeloos: het wiegen, het glooien.
Het gedicht wiegt, zoals iemand wiegt die in het water ligt, zwemmend, drijvend of verdrinkend. De taal geeft hier mee, gaat voort op de golfslag van binnenrijm en (klank)associaties. De aarzelende zinnen, als onafgemaakte zwemslagen, geven het geheel, ondanks de vloeiende, zangerige manier van zeggen, iets ‘benauwds’, alsof hier iemand steeds net niet uit zijn of haar woorden komt, ongeveer zoals in klassieke gedicht ‘Een kus in Ter Kameren’ van Jos de Haes.
      Hendrik Carette schreef in een recensie op het werk van De Crée: ‘Haar taal klinkt kraakhelder en krachtig en haar beeldspraak is haarscherp en hard en dus met een strakke pols geschreven. Haar taalmuziek kan beluisterd worden als de wat moeilijke maar mooie vocalises van een dichteres die van de klassieken en het klassieke repertoire (o.m. Rilke en Gilliams) houdt. Het is de taal van een dichteres die niet modieus maar eigenzinnig en eenzaam haar eigen weg gaat.’
      Precies zo is het, en in dit gedicht zit alles waardoor de dichteres De Crée een plek op in elk geval mijn Parnassus heeft. Carette legt de nadruk terecht (mede) op het woord ‘moeilijke’, want het is bij alle muzikaliteit en lichamelijkheid niet zo, dat zij gemakkelijk werk schrijft. Haar gedichten zijn gemakkelijk te lezen en moeten daarna met moeite veroverd worden, waarna blijkt dat ze inderdaad zeer begrijpelijk zijn.
      Liefste. We moeten springen en zwemmen, en dan gaan we ooit, maar dat is pas over minimaal vijftig jaar, ten onder. Tot die tijd leven we, alsof ons eigen leven ervan afhangt, en dat is ook zo.
Een paar weken geleden verscheen Druppelpunt, de nieuwe bundel van De Crée. Daarin staat een mooi gedicht, ‘Balans’. Het is een gedicht vol berusting, maar toch ritselt van strijdlust, en daarom weet het me te troosten. Het bevestigt wat ik je hierboven schreef. We zijn er en we zijn er nu. We blijven.

een schaal met druiven, troostend
gezicht, de prietpraat van de duiven.

tussen de ditjes en de datjes de zwier
van strowissen en van stokjes,
walgelijke stukjes wrakgoed, het gissen,

strandvondst en zeedrift,
drijvend op dikke olie en doodwier, het gelach
in stukken breken, nederlaag, winst,
de dagelijkse slag, het blijven.




Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.   

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen