zondag 22 januari 2017

Robert Anker -- Seigneur?

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

in memoriam

kb
wikipedia
dbnl
wat gedichten
querido






Seigneur? (3)

Dit is het laat seizoen. Mijn boom
draagt van zijn bloei de vruchten,
maar geen plof in gras die ruimte
maakt, bereikt mij achter het glas.
Ik dacht toch wel dat ik het was.

Het is voorbij. De dagen zijn op orde.
Herinnering zwerft als ziekte door het huis
(witte zeilen, blauwe zee, jij!).
Bemost is het balkon, mijn oog
komt tot de rand, keert naar binnen.
Voortaan is het zondagmiddag.
De heer ziet onze tranen niet.
Luchtreclame ronkt af en aan
met een boodschap voor de buren
die de luiken trillen doet.
Ik ga de trap af. Met mijn voet
schuif ik de folders in een hoek.
Daar zit geen reis bij die ik zoek.

Het is donker in het souterrain.
Ik sleep mijn leunstoel naar het raam.
Water ruist in buizen om mij heen.
De tuin is groen. Zo was het vroeger.
Ik oefen dus voor oude man.
De bel staat af. Ik hef mijn glas.
Adieu, ik schrijf nog wel.


Robert Anker (1946-2017)
uit: Van het balkon (1983)






• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

vsb-prijs 1916 -- overzicht

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1917 was? Stem nu.

Vorige week besteedden we hier aandacht aan vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury.

Zingende stemmen van C.S. Adama van Scheltema
Herscheppingen van Aart van der Leeuw
De wandelaar van Martinus Nijhoff
Music-Hall van Paul van Ostaijen
Lente-maan van P.C. Boutens

Stem hier op een van deze bundels. De uitslag wordt donderdag 26 januari bekendgemaakt.

Robert Anker -- Heimwee naar de eerste woorden

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

in memoriam

kb
wikipedia
dbnl
wat gedichten
querido






Heimwee naar de eerste woorden

De muze kent misschien geen babel maar ze kende mij
ze toetste met haar vingertoppen woorden in mijn stel
gewone woorden losgetikt uit wat ineens bestond: de taal
akker beekje ochtend straatweg wind een koelte ruisend
kwam het aan ik stond bij het raam het licht was zuidelijk
het werden deuren naar een naastebije wereld die uitsluitend
in de sponning van die woorden kon bestaan het wonder
bleef duren tot voorbij de stem van moeder die mij riep
de muze riep ik werd herkend op stel en sprong naar binnen.


Robert Anker (1946-2017)
uit: Heimwee naar (2006)






• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

zaterdag 21 januari 2017

Robert Anker -- Terwijl hij

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

in memoriam

kb
wikipedia
dbnl
wat gedichten
querido








Terwijl hij
en na zijn werk
van 7 tot 6 bij een baas
zaagsel in zijn haar
moest hij een uur op de fiets
maandag tot en met vrijdag
zes jaar lang

Dat Joyce toen al
en Kafka stierf
Musil schreef het centrum uit de wereld
Dat Proust de nieuwe eeuw begon
met de herinnering

Dacht hij aan de toekomst
langs de geurende berm
de sneeuw in januari
de schemering in de herfst
of dacht hij
op weg naar de avondschool
door de innige dorpen
de dampende velden aan niets
of aan de tekenles
of aan het meisje voor het lage huis
met het witte konijn op haar arm

Terwijl hij dat allemaal deed
volbracht hij zichzelf

Masturbeerde hij 's nachts
Sliep hij dan alleen in een kamer

Niemand die het nog weet

Hij fietste door het avondrood
en dacht aan de toekomst
of dacht aan het meisje
en niets daarvan dat hij zich later nog
herinnerde


Robert Anker (1946-2017)
uit: In het vertrek (1996)






• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

vrijdag 20 januari 2017

vsb-prijs 1916 -- P.C. Boutens

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

dbnl
wikipedia
kb
bwn
gedichten






Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als laatste Lente-maan van  P.C. Boutens, ingeleid door Coster zelf, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.

*

Als er in het eerste kwart van de vorige eeuw iemand aanspraak kon maken op de titel ‘dichter des vaderlands’, dan was dat ongetwijfeld P(ieter) C(ornelis) Boutens (1870-1943). Zijn werk werd zeer gewaardeerd, en enkele van zijn boeken haalden enorme oplages. Zijn veelgeroemde bewerking van de Beatrijs, bijvoorbeeld, beleefde bij zijn leven al 33 drukken (inmiddels zijn het er 49). Daarnaast was Boutens ook wel wat je nu een bobo zou noemen: hij was betrokken bij de oprichting van de Vereniging van Letterkundigen en werd daar later voorzitter van, en vervulde functies bij twee letterkundige fondsen. Bovendien had hij (ook als gevolg van zijn leraarschap op een elitaire kostschool) contacten in de betere kringen.

Of hij ook daadwerkelijk tot dichter des vaderlands zou zijn benoemd, is nog maar de vraag, want Boutens was homoseksueel (hij woonde met zijn als ‘huisknecht’ vermomde partner aan een statige laan in Den Haag), en in die tijd was dat wel een punt. Genoeg punt, naar men zegt, om hem een verdiende ridderorde te weigeren – maar hij schreef wel het (volgens velen nogal onbegrijpelijke) gedicht ter gelegenheid van het huwelijk van Juliana en Bernhard, in 1937, dat in een enorme oplage verspreid is geworden geweest.

Eenentwintig jaar eerder verscheen zijn bundel Lente-maan. Het was niet zijn succesvolste – slechts een keer herdrukt – en ook niet zijn best ontvangen werk. Een bespreking repte van “nevels, te ijl om te vatten of eindeloos verglijdende ondoordringbaarheden rond meestentijds onzichtbaar blijvende bergtoppen” en “damp-verdichtingen, waarachter het vlies-dun vliegtuig van zijn zelfgenoegzaam lied niet meer te volgen is”. Dat is beeldend gesproken, maar wel een beetje overdreven, want hoewel hedendaagse ogen zeker zullen moeten wennen aan de gedragen formuleringen en de wat plechtige bewoordingen, is de boodschap goed te volgen. Boutens zoekt het hogere, het zuivere en het geestelijke, maar hij laat de lezer niet alleen achter op het pad omhoog, en leidt hem naar een wereld der ideeën waar “smart en vreugde slechts aspecten zijn van een zelfde liefdesgemeenschap – die leven en dood omvat”. En dat die hoge wereld dan voor sommigen inderdaad vol “nevels , te ijl om te vatten” is … nu ja, dat is dan maar zo.

Raymond Noë

*
Dit is ter goede wake het goede lied
Dat houdt den waker wakker en wekt d' ander niet.

Te luistren naar het kloppen van beminde hart,
Lied nooit beluisterd, nooit meer met éen geluid verward.

Want alle harten kloppen anders met andren slag,
Maar ieder hart klopt eender tot zijn laatsten dag.

God maakte zooveel tonen als er harten zijn,
Dat wij elkaêr herkennen door dezen veegen schijn.

Dat wij elkander weten nu en voorgoed
Aan 't onmiskenbaar zingen van het donker bloed.

Want alle bloem verwelkt en alle schoon valt af,
En heel de wereld is een licht en bloeiend graf.

Maar alle harten kloppen hun eigen donkren slag,
En ieder hart klopt eender tot den laatsten dag.


Ik peins - mijn hart erkent het niet -
Hoe alle wezen eenzaam is,
Hoe uit bezit en uit gemis
Dezelfde moeheid overschiet,

Die van al wat zij heeft doorkend,
Die van al wat zij heeft begeerd,
Haar grondeloozen glimlach keert
Naar doods onpeilbaar donkren wand...


En nu - ik ben niet meer alleen...
O bovenwezenlijk bedrog:
Gij zijt hier niet, gij zijt hier toch.
Daar dauwt door 't slui'rend lichtgeween

Een heller tegenwoordigheid:
Een blind onzienelijk gezicht
Klaart uit de zee van sterrelicht -
En geene vrees of gij het zijt,

Die dus verroereloosd beroert
De wellen dezer donkre mijn
En keert in levende fontein
Wat diep en lichtloos lag gevloerd -

En wat ik onbewijsbaar dacht
En onuitsprekelijk verbeurd,
Breekt spraakloos uit en bloeit en geurt
Als witte rozen in den nacht.


Kussen van uw lippen en uw oogen,
Zachte daden uwer handen,
Zooals koele wateren getogen
Door de tuinen dezer landen,

Drenken in onmiddellijk bevloeien
's Harten diepste wortelcellen,
En naar een oneindig openbloeien
Gaat de siddrende aandrift zwellen, -

Een geluk als nieuwe wijn geschonken,
Waar de schijnen dood en leven
Schaduwloos in liggen wegbezonken,
En daar is alleen gebleven

Aandacht waar al donkere geruchten,
Aller namen duizendtallen,
Welke blaadren en onrijpe vruchten,
Tot verglansde stilte vallen.


Ik weet, nu zet
Uw schoone deemoed in haar avondlijk gebed,

En viert Gods uur
Op de verstilde stemmen zijner heilige natuur,

En peinst zich uit
In al de zoete klagen die de wind verluidt,

En schikt haar beê
In 't ingetogen ruischen van de vrome zee,

En telt ten snoer
De sterrepaarlen spranklend over hemels vloer,

En wijlt bekoord
In zwijgende aandacht die zich voelt verhoord

En nieuw en sterk
Tot haar klein aandeel in Gods ondoorgrondlijk werk.


In diepen duizel
Te hel voor peilen
Staan van weêrskanten
De afgronden open:
Spiegels van oogen
Waarin verijlen
De blikken die ze in
Elkander doopen...

Elk stralend antwoord
Brengt feller vragen:
In lichte bloemen
Naaktlichte harten
Wier vlotte luisters
Voor luisters vagen,
Nu lavend glanzen,
Dan flitsend smarten...

Wat vleuglen dragen
Dit bijster zweven,
Wat broze bruggen,
Maanregenbogen,
Tusschen de kolken
Van dood en leven,
Van lokkende onmacht
En alvermogen?...

Ik luik mijn oogen:
Daar was een morgen
Zoo hoog en heilig
Als kort van duren:
Ik zie zijn oogen
Mij nog verborgen
De veilige opvaart
Door hemels vuren...

Ik luik mijn oogen:
Daar was een avond
Zoo wijd en innig
Na troostloos zwerven,
Die mij zou bedden
Voorgoed gehavend
Met al de dingen
Die lijdlijk sterven...




• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

woensdag 18 januari 2017

vsb-prijs 1916 -- Paul van Ostaijen

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
dbnl
nagelaten gedichten
deel uit 'Bankroet Jazz', naar een scenario van Van Ostaijen



Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als vierde Music-Hall van  Paul van Ostaijen, ingeleid door dichter Dirk Vekemans, die ook vijf gedichten uit deze bundel koos.

*

In het rijtje genomineerden voor de vsb-prijs 2016 heb je met Music-Hall van Paul van Ostaijen allicht een winnaar beet. Tenzij wandelaar Nijhoff er nog mee lopen gaat, ook daar valt nog mee te leven. Toch: geen prijs voor PvO, dan geeft geen Vlaming nog een cent om al dat vsb-gedoe. Want een 'dichter' in Vlaanderen dat is óf Van Ostaijen óf Gezelle. En met zijn al te vroege dood is hij helemaal voor eeuwig dé Dichter van Vlaanderen.

“Niet ik ben ongewoon, maar wel mijn levenslot”, staat er te lezen in zijn debuutbundel Music-Hall. Als inzicht in de eigen lotsbestemming kan dat tellen. Paul van Ostaijen (1896-1928), geboren en getogen – als Nederlander want zijn vader was dat – in Antwerpen, was van jongsaf iemand die zich ‘niet kon voegen’. Zijn korte leven was dan ook een ware werveling. Tot tweemaal toe van school gestuurd, gaat hij in 1913 maar werken als klerk aan het stadhuis. Tijdens de oorlog zien we hem als overtuigd flamingant partij kiezen voor het activisme, en om nadien zijn straf te ontlopen vlucht hij naar Berlijn. In 1921 krijgt hij amnestie en keert terug naar België, waar hij in 1922 ook de Belgische nationaliteit krijgt. Van Ostaijen groeit uit tot de exponent van het modernisme in Vlaanderen, zijn eruditie en ‘mee zijn’ met zijn tijd kent hier te lande zijns gelijke niet. Dat men hem niet volgen kon, draagt met dat activisme bij aan zijn uiteindelijke isolement. In zijn laatste jaren doet hij tuberculose op, toen meestal nog een lijdensweg naar de dood, en sterft, vereenzaamd in een sanatorium bij Dinant, in 1928 aan de gevolgen van zijn ziekte.

Bij zijn verschijning in 1916 sloeg de debuutbundel van de twintigjarige van Ostaijen niet in als een bom. Daarvoor waren er toen teveel echte bommen in omloop. En er was niet veel om in te slaan: de Vlaamse cultuur ging nog te zeer gebukt onder het juk van de Franstalige macht. En de bundel was allicht ook, dat mag gezegd, te onevenwichtig van kwaliteit.
Recensies in studentenbladen van bevriende flamingantische intellectuelen hadden wel oog voor het erg vernieuwende karakter van de teksten in deze bundel. Geen hoogdravend epigonisme van de fin-de-siècle-poëten, maar een eerste aanzet tot grootstadslyriek in herkenbare taal. De dichter als persona wordt opgevoerd als een fantast en een poseur, maar ook als een kwetsbaar mens die bedrogen word door zijn geliefde, die eenzaam door de straten zwerft. In de wereld van de kino en het cabaret vindt hij troost, en kan hij opgaan in de heel erg tijdelijke roes van het gemeenschappelijk gevoel van levensvreugde. In de eerste twee delen (de cyclus 'Music-Hall' en 'Verzen voor de prinses van Ji-Ji) is alles programmatisch opgebouwd rond die thematiek van verlies en vlucht in het nieuwsoortige vermaak. Het opent met een wervelende beschrijving van het vitalistisch feest en loopt vast in de treurnis om de ongelukkige liefde, de vroege herfst van een valse, tweede lente, de geliefde bij haar intrede in November. Thematisch en qua taalgebruik erg vernieuwend, maar deze poëzie maakt zich met soms pijnlijke scheuren los van de lamentabele praktijk der Vlaamse Letteren.

Maar het derde deel 'Diverse verzen' laat heel die opbouw voor wat ze is, en daar komt, naar mijn aanvoelen, de geheel eigen stem van PvO ver boven het stedelijk geroezemoes en de dichterlijke clichés uit. Het ene na het andere hoogstandje volgt, van eenvoudige, maar verbluffend beklijvende lyriek. Het is alsof de jonge meester dacht: tja het kan zo, of ja, ook zo, maar eigenlijk is het simpel hoor. Kijk, zo ga ik het doen... (De Lyriek van Paul van Ostaijen heeft ook een Gebruiksaanwijzing (1926))

Dirk Vekemans

*
Juffer Lola
Voor Charlotte V.

Juffer Lola, dit is waar,
Danst met stappen,
Rappe,
Ranke,
Op het klanken
Van een lustige gitaar.
Kleine,
Fijne
Sirkeldansen
Vormen kransen
Rond, rond,
Over het tapijt
Zo bont.

Juffer Lola rookt sigaretten,
Kleppert met de kastanjetten,
Lonkt en lacht
Zoetjes zacht,
Weet
Haar passen
Wel te passen,
Meet
Zo goed
En netjes
Al de tredjes
Die zij zetten moet,
Een voor een;
Danst... alleen.

Juffer Lola doet naar nieuwe wetten
Klepperen de kastanjetten,
Die begeleiden
Al de zongewijde
Liedjes die zij zingt.
Spaans bloed
Stromen moet,
En de kastanjetten
Zetten
Snel
Moed bij het duel.
Zonderlinge
Dingen
Klinken
Uit dees' zang
In mijn hart zo lang...

Bij het eindigen van de dans
Werpt juffer Lola kusjes met de hand,
Juffer Lola, zeer charmant.

Avond

 Ach, m'n ziel is louter klanken
In dit uur van louter kleuren;
Klanken, die omhoge ranken
In een dolle tuin van geuren.

Valavond

Nu is van Kalifornies goud de tijd;
De sterrevende zon vergaart
Haar krachten voor een verre vaart,
De laatste van die dag, ter aardewaart.

Daar heeft de zon een laatste maal
Haar stervensweeë gouden praal
Verzameld in een glazen tremportaal.

12 Mei 1915

Music-Hall (4)

O, m'n Music-Hall wieg m'op uw geluiden,
Dat ik weer eens de ware wereld buiten
Treed; dat ik weer eens wone
In illuzie's hogere regionen.

Dommel nu m'n eenzaam wezen heen
In de ziel die één, hier alleen
Kan leven; door haar éénheid
De kompleetste innigheid.

Dobber, dommel, deint
In die éénheid, ziele mijn,
Flikker, schitter, schijnt
Als 'n kinolampe, zieleschijn.

Kinofilm, jij zijt 't levensimbool.
M'n leven draait in snelle farandool
Als jij. M'n leven is 'n mozaiek
Van schuld en boete, van liefde en haat,
Van lijden en verblijden, van latent zijn en van strijden,
Van hoop en wanhoop, van eerbied en van smaad.
Van m'n leven blijft steeds mij 't dierbaarst 't Verleden
Boven al, en slechts leef ik het Heden,
Opdat het later weer mooi zou wezen,
Wanneer het ligt in Verleden's zachte schijn.
Daar liggen de enkele vrienden,
Die ik lang geleden lief had, en ook
Daar zijn de meisjes. Allen blijf ik welgezind
Door m'n Verleden heen, want allen lijken me nu goed.

O, enkel, enkel is voor mij vertroosting
Wanneer 'k kan leven in herinnering
En breken door m'n kleine levenskring
Tot des Verleden's maangesching.
Enkel nu en dan weet ik hoop
En jij, kino, sterkt me voor 'n korte stonde
In die hoop, zachte illuziestonde.

Fietstocht
Aan mijn Fietstochtvrienden

Als een jong lied dat klinkt luid door lege hallen,
Zo is doorheen de Winter, de Lente getreden tot ons allen,
Die waren in een eeuw
Gehuld, van witte sneeuw.

Niet enkel jonger is geworden ons leven,
Maar ook veel witter en lichter geweven
Als in het kleed
Van winterleed.

Witte blijdschap
Is de witte boodschap
Van een zongezant
Aan het wachtend land.

Gelijk voor zoveel jaren
Wit de boodschap was, blank als de blijheid,
Dat Maria van Nazareth zou baren
Een kindeken van alle eeuwigheid.

Zo wordt het land een nieuwe lust
Bij elke nieuwe Lente, bewust:
Een lust te dragen blonde scharen
Van korenharen.

En elke Lente is jonger dan die voorafging,
Wijl hij brak een kring
Die jonger was van sneeuwgesching.

Wie nu niet voelt de hoop in zich
Worden tot een wil onhoudbaar en onstuimig,
Een wil: zonder verwijlen
De Lente door te ijlen;

Wie nu niet kon
Z'n nieuwe witheid laten varen
Langs de jonge hartstochtblaren
Van 'n witte-zeilenzon;

Die is een man zo koud
Gelijk de Winter, en zo oud

Gelijk 'n oud tuig dat niet meer dienen zou,
Doorheen 't getij van winterkou,
Had ik m'n hoop, m'n fiets geborgen,
Verbeiend d'eerste Lentemorgen.

Want door m'n fiets mag ik verhopen
De witte Lente door te lopen,
Te rennen: daarom verkies ik niets
Als hoopsimbool boven m'n fiets.

M'n fiets dat is 't namiddagdolen
Van m'n Lentewitheid, in nikkel farandolen;
M'n fiets dat is het klingen
Van m'n veloschel, in zonnekringen.

M'n fiets dat is het kettingruisen;
Dat is het vlieden van de rode huizen
Om mij heen; dat is de landweg, gans verlaten
In z'n witte maagdgewaden.

Dat is het horizonnen-deinen
En 't jonge zonneschijnen,
De bomen, die verdwijnen
Achter mij, de grachten die verkwijnen.

M'n fiets dat is het daveren van de zon,
Die heur wonne over de wereld spon
En spint; dat is het spelemeien
Van ebbe en vloed der zonnetijen.

M'n fiets dat is een foor van lichten,
Zoveel dwarlende schichten
Die draaien door elkaar:
De kermis van dit jaar.

Gewonnen verloren, gewonnen verloren,
M'n fiets dat zijn de koren,
Die komen uit d'Afrikaner landen
Met d'eerste zonnebranden.
 
Beiaarden van blijheid
Leven over 't land,
Beiaarden van blijheid
Beven in de zonnebrand.

O, m'n fiets gij zijt
Bron van al m'n blijheid;
O, m'n fiets gij zijt
Leven in der eeuwigheid.
Rijd, rijd
Aldoor;
Rijd, rijd
Aldoor;
Gewonnen verloren, gewonnen verloren,
De horizonnen zijn uit d'eeuwigheid.

April 1915







• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 17 januari 2017

vsb-prijs 1916 -- Martinus Nijhoff

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

kb
dbnl
wikipedia
ing
graf






Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als derde De wandelaar van  Martinus Nijhoff, ingeleid door taalkundige Marc van Oostendorp, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.

*

Zelfbewust kwam Martinus Nijhoff (1894-1953) in 1916 de Nederlandse poëzie binnenwandelen. Na dit debuut zou hij zich binnen enkele jaren ontwikkelen tot een van de meest toonaangevende dichters van de vroege twintigste eeuw, en waarschijnlijk ook wel de dichter uit die periode die nog steeds het meest gelezen en bestudeerd wordt. Hij was geboren in de wereld van het boek – zijn gelijknamige grootvader richtte een beroemde juridische uitgeverij op – en hoewel hij ook rechten had gestudeerd, koos Nijhoff uiteindelijk voor een succesvolle loopbaan als dichter, criticus, essayist, redacteur en vertaler.

De wandelaar werd goed ontvangen. De pers zag er over het algemeen een modernere, Nederlandse naklank in van het werk van Charles Baudelaire (1821-1867). Dat zouden we nu niet meer zo snel zeggen: je leest het nu eerder als een eerste teken van Nijhoffs eigen heldere stijl in zijn latere bundels Vormen en Nieuwe gedichten. Tegelijkertijd loont het wel om die critici uit 1917 serieus te nemen. Er zit wel degelijk een donker en romantisch kantje aan de gedichten in De wandelaar.

De naam Baudelaire kwam overigens van Nijhoff zelf. De ik-figuur van het openingsgedicht noemt zich “een dichter uit den tijd van Baudelaire/ Daags tusschen boeken, 's nachts in een café”. Maar hij doet dat nadat hij zich eerder ‘Kloosterling uit den tijd der Carolingen’ en ‘Kunstenaar uit den tijd der Renaissance’ heeft genoemd, en eindigt met een beschrijving van hoe we hem nu zien: een ‘toeschouwer’ die in kristalheldere gedichten verslag doet van de vervreemding: “Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan, / Stil mozaïkspel zonder perspectieven”.

Marc van Oostendorp


De wandelaar

Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tusschen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen,
Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.

Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor 't raam;
Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
En hoor matrozen langs de kaden zingen.

Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
Teeken ik 's nachts den glimlach van een vrouw,
Of buig me over een spiegel en beschouw
Van de eigen oogen het ontzaglijk glanzen.

Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
- Daags tusschen boeken, 's nachts in een café -
Vloek ik mijn liefde en dans als Salomé.
De wereld heeft haar weelde en haar misère.

Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren,
Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
Die 'k kleiner zie en als van heel ver-af,
En die ik niet aanraken kan en hooren.

Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven,
Zagen mijn oogen kalm de dingen aan:
Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,
Stil mozaïkspel zonder perspectieven.

Het licht

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:
Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.
Het leven breekt zich in het bont gebeuren,
En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

Slechts die zich sterven laat, kan 't leven beuren:
O zie mijn bloed dat langs de spijkers leekt!
Mijn raam is open, open zijn mijn deuren -
Hier is mijn hart, hier is mijn lichaam: breekt!

De grond is zacht van lente. Door de boomen
Weeft zich een waas van groen, en menschen komen
Wandelen langs de vijvers in het gras -

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,
Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:
Dit zijn de daden waar ik mensch voor was.

Clown

Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.

Mijn meester wil de wereld vroolijk maken,
- ‘Satans Apostel’ noemt mij 't aanplakbord -
En 't volk, een optocht gekke pelgrims, wordt
Hierheen gestuurd, en ik moet het vermaken.

Het lacht om alles wat mijn waanzin doet,
Ik speel voor hond, voor mensch, voor olifant:
Ik blaf, ik schreeuw, ik daver met mijn snuit -

Laat in den nacht stroomt het de tent weer uit:
Ik leun op 't plein, waar de lantaren brandt,
Tegen den paal, en keur mijn daden goed.

De vervloekte (I)

Wreed heb ik in je weeke vleesch gebeten,
Bittere vrucht waarin mijn liefde bijt,
Liefde, die honger is en om brood schreit,
Dat slechts verdoemden in hun wanhoop eten.

Maar waarom, waarom heb je niet geweten
Het zachte zingen van het bloed in mij, 't
Vragend verlangen van mijn eenzaamheid?
Waarom heb jij die stille stem vergeten?

Toch - nu mijn mond je beet, beet als ik kuste,
Nu jou mijn stem verbijsterde als de gekke
Schreeuw van een vogel die in zee neerstort -

Weet ik dat alles eens vergeven wordt,
Dat, als de dood eind'lijk mijn lijf zal strekken,
Je handen zeeg'nend om mijn hoofd heen rusten.

Con sordino

Zij zei tot mij: ‘Je bent een prins in bed’.
IJsbloemen waren op het raam gesproeid.
Ons lichaam, tot ontbinding toe vermoeid,
Was tusschen koele lakens in-gebed.

De wereld is herboren na dit sneeuwen
En ik ben weer een kind na deze nacht.
Wees goed voor mijn eenvoudigheid, die zacht
Spreekt als een schilderij der middeleeuwen.

Zie achter dennen het kasteel uitsteken,
En aan den einder als een schuine balk
Het zonlicht op het vrome landschap breken!

Door 't weiland draaft een ridder met zijn lief:
Hij fluit de honden, en zij ziet den valk
Stijgen, die van haar handschoen zich verhief.

Herinnering

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed kleine jongen,
Aan 't geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
't Oude, altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen,
Die wij doen, beziet,

Hoe zijn eeuw'ge, groote wond'ren
Steeds beschermend om ons zijn,
- Nimmer zong je, moeder, zonder 'n
Beven dat refrein -

Dan zag ik de sterren flonk'ren
En de maan door wolken gaan,
d'Ouden nacht met wijze, donk're
Oogen voor me staan.






• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster